Probleemopgaven

Náboj Junior 2025

Als PDF downloaden

Opgave 1

Lang haar

Het haar van Rapunzel groeit met een snelheid van 1,5cm per maand. Ze heeft haar haar gedoneerd, zodat het nu slechts 20cm lang is. Ze zou graag willen dat haar haar weer 2 meter lang wordt. Hoeveel jaar moet Rapunzel daarop wachten?

Oplossing

Antwoord:

10


Voordat haar haar 2 meter wordt moet er nog 200cm 20cm = 180cm bijkomen. Dat duurt 180cm : 1,5 cm/maand = 120 maanden = 10 jaar. Dus Rapunzel moet 10 jaar wachten.

Statistieken
1368
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
99.8%
teams opgelost
00:24:22
gemiddelde oplostijd

Opgave 2

Fietswedstrijd

Peter en Paul namen deel aan een fietswedstrijd in hun thuisstad. Peter voelde zich superfit en wist de vierde plek te bemachtigen. Paul daarentegen had een slechte nacht gehad en eindigde als voorlaatste. Tussen Peter en Paul bereikten zes andere deelnemers de finish. Hoeveel fietsers bereikten in totaal de finishlijn in deze race?

Oplossing

Antwoord:

12


Er waren 3 fietsers die vóór Peter finishten, 6 fietsers die tussen Peter en Paul finishten, en 1 fietser die achter Paul eindigde. Samen geeft dit 6 + 3 + 1 = 10 fietsers, zonder Peter en Paul zelf mee te tellen. Aangezien we het totale aantal fietsers willen berekenen, moeten we Peter en Paul nog toevoegen, wat in totaal 10 + 2 = 12 fietsers geeft.

Statistieken
1368
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
100.0%
teams opgelost
00:20:18
gemiddelde oplostijd

Opgave 3

Marathon

Een marathonloper loopt ongeveer 42 kilometer. Tijdens de loop verbruikt de loper 3kJ energie per kilometer. Om de verbruikte energie aan te vullen, eet de loper regelmatig energierepen. Elke energiereep levert de loper 1000J energie op. Hoeveel energierepen moet de loper eten om de marathon te beëindigen zonder per saldo energie te verbruiken?

Oplossing

Antwoord:

126


Per kilometer verbruikt de loper 3000J. Op het 42km lange parcours verbruikt hij dus

3000Jkm 42km = 126000J.

Elke gegeten energiereep levert de loper 1000J energie op. Om het volledige energieverbruik te compenseren, moet hij dus 126000J 1000J = 126 energierepen eten.

Statistieken
1368
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
99.8%
teams opgelost
00:27:16
gemiddelde oplostijd

Opgave 4

Wie wil er chocolade?

David heeft een chocoladereep gekregen die uit 35 stukjes bestaat. David houdt echter niet van chocolade, dus hij besluit de reep te verdelen onder zijn vrienden. Hij wil dat elk van zijn vrienden minstens 2 stukjes chocolade krijgt, en dat alle vrienden evenveel stukjes ontvangen. Bovendien mag er geen enkel stukje overblijven. Wat is het maximale aantal vrienden waarover David de chocolade kan verdelen, zodat aan al zijn voorwaarden wordt voldaan?

Oplossing

Antwoord:

7


Het getal 35 kan op vier manieren worden geschreven als een product van twee positieve gehele getallen (waarbij verschillende volgordes als verschillend worden beschouwd):

1 35,5 7,7 5,35 1.

De eerste factor geeft het aantal stukjes aan dat elke vriend krijgt, de tweede factor het aantal vrienden. Elke vriend moet minstens 2 stukjes krijgen, dus we moeten de mogelijkheid 1 35 uitsluiten. Er blijven dan drie mogelijkheden over; de optie die correspondeert met het maximale aantal vrienden is 5 7, dus het antwoord is 7.

Statistieken
1368
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
99.9%
teams opgelost
00:27:25
gemiddelde oplostijd

Opgave 5

Op bezoek

Tessa rijdt met de auto in een stad waar een maximumsnelheid van 50kmh geldt. Ze wil op bezoek gaan bij haar moeder, die aan de andere kant van de stad woont. Ze moet daarvoor een afstand van 10km afleggen. Wat is de minimale tijd in minuten die Tessa nodig heeft om naar haar moeder te rijden, als ze wil dat haar gemiddelde snelheid 40kmh is en ze de maximumsnelheid niet wil overschrijden?

Oplossing

Antwoord:

15


De informatie over de maximumsnelheid is hier niet relevant. We hebben enkel nodig dat Tessa een afstand van s = 10km moet afleggen en dat haar gemiddelde snelheid v = 40kmh moet zijn. We weten dat de gemiddelde snelheid gelijk is aan de totale afstand gedeeld door de totale tijd. Als we de gemiddelde snelheid aanduiden met v en de afstand met s, dan kunnen we de tijd t uitdrukken als:

t = s v = 10km 40kmh = 1 4h.

Als we dit omrekenen naar minuten, zien we dat het antwoord 15 minuten is.

Statistieken
1368
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
99.4%
teams opgelost
00:30:12
gemiddelde oplostijd

Opgave 6

Tweemaal meten, eenmaal zagen

Sjonnie werkt in een houtsnijderij. Hij had vandaag een eenvoudige taak: hij kreeg enkele houten blokken met afmetingen 17cm × 42cm × 47cm en moest al hun vlakken oranje verven. Maar omdat Sjonnie een beetje onhandig is, verfde hij per ongeluk één van de blokken helemaal rood in plaats van oranje. Om ervoor te zorgen dat dit rode blok niet per ongeluk zou worden gebruikt, zaagde hij het in kleine kubusjes met een zijde van 1cm. Hoeveel van deze kubusjes hadden precies 3 rode vlakken?

Oplossing

Antwoord:

8


De enige kubusjes die 3 rode vlakken hebben, zijn diegene die uit een van de hoekpunten van het oorspronkelijke blok zijn gezaagd. De andere kubusjes hebben slechts 2 geverfde vlakken (als ze van een rand kwamen), 1 geverfd vlak (als ze van een zijvlak kwamen) of 0 geverfde vlakken (als ze vanuit het midden kwamen). We hoeven dus alleen de hoekpunten van het blok te tellen, en dat zijn er 8. Er waren dus 8 kubusjes met drie rode vlakken.

Statistieken
1368
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
96.6%
teams opgelost
00:35:31
gemiddelde oplostijd

Opgave 7

Koud avondeten

Patrick warmt zijn eten op in een magnetron met een constant vermogen. Na enige tijd is de temperatuur van het eten gestegen tot 26C. Dat is Patrick nog te koud, dus hij zet het eten terug in de magnetron, maar nu voor maar 70% van de tijd van de eerste opwarming. Na deze extra opwarmtijd is de temperatuur van het eten gestegen tot 40C, wat precies goed is. Wat is de oorspronkelijke temperatuur van Patricks eten in graden Celsius?

Ga ervan uit dat er geen water uit Patricks eten verdampt.

Oplossing

Antwoord:

6


Het vermogen van de magnetron is constant. Dit betekent dat de energie die het eten van de magnetron ontvangt, evenredig is met de opwarmtijd. Bovendien veranderen de massa en de soortelijke warmtecapaciteit van het eten niet tijdens het opwarmen. Daarom is de temperatuurstijging evenredig met de opwarmtijd.

Tijdens de tweede opwarming steeg de temperatuur met 40C 26C = 14C. Tijdens deze opwarming werd het eten slechts 70% van de eerste opwarmtijd verwarmd. Dus tijdens de eerste opwarming moest het eten zijn temperatuur verhogen met

100% 70% 14C = 20C.

Hieruit volgt dat de oorspronkelijke temperatuur van Patricks eten 26C 20C = 6C was.

Statistieken
1368
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
95.7%
teams opgelost
00:28:20
gemiddelde oplostijd

Opgave 8

Roddels

Nábojlandia heeft 2025 burgers en 1 koning. Er is recent een nieuwe wet ingevoerd en iedereen moet erover geïnformeerd worden. De informatie wordt elke dag om twaalf uur ’s middags doorgegeven. Op de eerste dag vertelt de koning het nieuws aan één burger. Op elke volgende dag geeft elke burger (dus niet de koning zelf) die het nieuws al weet het door aan precies één nieuwe persoon die het nog niet weet (zolang er nog zulke personen zijn). Na hoeveel dagen kennen alle burgers de nieuwe wet? (Bijvoorbeeld: als op de avond van de vijfde dag iedereen het weet, is het antwoord 5).

Oplossing

Antwoord:

12


Aan het einde van de eerste dag is er slechts 1 burger die de nieuwe wet kent. Op elke daaropvolgende dag verdubbelt het aantal burgers dat de nieuwe wet kent. We hebben dus:

  • om twaalf uur op de 2e dag zijn er 2 1 = 2 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 3e dag zijn er 2 2 = 4 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 4e dag zijn er 2 4 = 8 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 5e dag zijn er 2 8 = 16 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 6e dag zijn er 2 16 = 32 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 7e dag zijn er 2 32 = 64 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 8e dag zijn er 2 64 = 128 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 9e dag zijn er 2 128 = 256 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 10e dag zijn er 2 256 = 512 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 11e dag zijn er 2 512 = 1024 burgers die de nieuwe wet kennen;
  • om twaalf uur op de 12e dag zijn er 2 1024 = 2048 burgers die de nieuwe wet kennen.

Aangezien 2048 2025, zal de verspreiding van de nieuwe wet aan het einde van de 12e dag voltooid zijn.

Statistieken
1368
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
96.4%
teams opgelost
00:22:32
gemiddelde oplostijd

Opgave 9

Efficiënte oplossingen

Paul heeft een zonnepaneel gebouwd en wil het gebruiken om zijn speelgoedtrein van stroom te voorzien. Eerst zet hij met het zonnepaneel zonne-energie om in elektrische energie met een rendement van 0,2. Vervolgens slaat hij 5 6 van deze elektrische energie op als chemische energie in een batterij. Ten slotte plaatst hij de batterij in de trein, die 30% van de chemische energie uit de batterij omzet in zijn eigen kinetische energie. Met welk rendement zet Pauls systeem zonne-energie om in kinetische energie? Antwoord in procent rendement.

Oplossing

Antwoord:

5


Om het totale rendement van deze energieomzetting te berekenen, hoeven we enkel de afzonderlijke rendementen van de opeenvolgende omzettingen met elkaar te vermenigvuldigen. Laten we de rendementen die niet als breuk gegeven zijn eerst omzetten naar breuken:

0,2 = 1 5,30% = 3 10.

Nu vermenigvuldigen we alle rendementen:

1 5 5 6 3 10 = 1 20.

Omdat ons antwoord in procenten moet worden gegeven, willen we dat de noemer van de breuk 100 is. We vermenigvuldigen de oorspronkelijke breuk dus met 5 5 en krijgen: 1 20 5 5 = 5 100. Het rendement is dus 5%.

Statistieken
1367
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
71.7%
teams opgelost
00:32:37
gemiddelde oplostijd

Opgave 10

Schaakkoning deel 1

Kate is op zoek naar interessante wiskundige problemen op een oneindig schaakbord. Terwijl ze de schaakstukken klaarzet voor een nieuw potje komt er een vraag in haar op. Ze weet dat de koning kan bewegen naar elk van de acht vakjes die een zijde of een hoek delen met het vakje waarop hij staat. De vraag van Kate is: als ze de koning op één vakje van dit oneindige schaakbord neer zet, hoeveel verschillende wandelingen kan hij dan maken als hij precies drie zetten doet?

Oplossing

Antwoord:

512


Elke keer dat de koning beweegt, heeft hij 8 mogelijke vakjes om naartoe te gaan. Voor een pad dat precies uit drie zetten bestaat, zijn de keuzes onafhankelijk, dus het totale aantal mogelijke wandelingen is 8 8 8 = 512.

Statistieken
1367
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
85.0%
teams opgelost
00:22:09
gemiddelde oplostijd

Opgave 11

Parkloop

Patrick en Kate gaan hardlopen in het park. Daar is een rechte baan van 1km lang. Ze gaan aan tegenovergestelde uiteinden van deze baan staan. Op hetzelfde moment beginnen ze te rennen naar het andere uiteinde van de baan, tegen elkaar in. Ze ontmoeten elkaar na 2 minuten, als Kate 600m heeft afgelegd. Hoeveel seconden eerder bereikt Kate het tegenoverliggende uiteinde van de baan dan Patrick?

Oplossing

Antwoord:

100


Kate loopt sK = 600m in t = 2 minuten, dus haar gemiddelde snelheid is vK = sK t = 600m 2min = 5ms. Om de volledige baan van s = 1000m af te leggen, heeft ze dus tK = s vK = 1000m 5ms = 200s nodig.

Net zo loopt Patrick sP = 400m in t = 2 minuten. Zijn gemiddelde snelheid is dus vP = sP t = 400m 2min = 10 3 ms en om de volledige baan van s = 1000m af te leggen heeft hij tP = s vP = 1000m 10 3 ms = 300s nodig.

We zien dat Kate het tegenoverliggende uiteinde van de baan tP tK = 300s 200s = 100s eerder bereikt dan Patrick.

Statistieken
1365
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
97.9%
teams opgelost
00:13:21
gemiddelde oplostijd

Opgave 12

Verjaardagscadeau

Alans kleine zusje is bijna jarig. Alan heeft een bijzonder cadeau in gedachten. Omdat haar lievelingsgetal 30 is, wil hij haar een ruimtelijk lichaam geven met een oppervlakte van 30cm2. Alan zal dit lichaam maken door houten kubusjes met een zijde van 1cm aan elkaar te lijmen (waarbij hij de vlakken van de kubusjes precies op elkaar lijmt). Wat is het kleinste aantal kubusjes dat Alan nodig heeft om het cadeau te maken zoals hij wil?

Oplossing

Antwoord:

7


We willen de oppervlakte van het lichaam zo groot mogelijk maken, terwijl we zo weinig mogelijk kubusjes gebruiken. Daarom willen we dat elk kubusje met zo weinig mogelijk vlakken aan de rest van het lichaam vastgelijmd zit. Het beste is als we de kubusjes in één lange rij aan elkaar lijmen (zodat we een balk krijgen). De twee kubusjes aan de uiteinden van deze rij hebben 5 zichtbare vlakken, en alle kubusjes daartussen hebben 4 zichtbare vlakken. Aangezien elk vlak een oppervlakte heeft van 1cm2 en we willen dat het totale oppervlak 30cm2 bedraagt, krijgen we de vergelijking

5cm2 + x 4cm2 + 5cm2 = 30cm2,

waarbij x het aantal kubusjes is tussen de twee uiteinden. We herleiden dit tot

x 4cm2 = 20cm2.

Daaruit volgt dat x = 5. Omdat we naast deze 5 kubusjes ook nog 2 kubusjes aan de uiteinden hebben, hebben we in totaal (minstens) 2 + 5 = 7 kubusjes nodig.

Statistieken
1364
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
78.2%
teams opgelost
00:25:08
gemiddelde oplostijd

Opgave 13

Mieren verzamelen

Mathilde verzamelt mieren. Op een dag besluit ze al haar mieren te rangschikken op een vierkant rooster, dus met evenveel rijen als kolommen. We weten dat een gewone mier precies in één hokje past, terwijl een koningin een 3 × 3 blok van hokjes nodig heeft. Mathilde merkt op dat ze in totaal 1929 mieren heeft. Het lukt haar alle mieren op het rooster te plaatsen zodat geen enkel hokje leeg blijft en geen enkel hokje door meer dan één mier wordt bezet. Wat is het kleinst mogelijke aantal rijen van Mathilde’s vierkante rooster?

Oplossing

Antwoord:

45


We zoeken het kleinste kwadraat (een getal dat kan worden geschreven als het product van een geheel getal met zichzelf) dat kan worden uitgedrukt als de som van 1929 enen en negens. Het antwoord zal de wortel van dat getal zijn.

Stel dat alle mieren slechts één hokje zouden innemen. In totaal zouden ze dan 1929 hokjes bezetten. Nu kunnen we een aantal gewone mieren vervangen door koninginnen. Op die manier vergroten we het aantal bezette hokjes telkens met 9 1 = 8. We kunnen dus een aantal bezette hokjes krijgen van de vorm 1929 + 8k voor een niet-negatief geheel getal k. We zoeken het kleinste getal van deze vorm dat een kwadraat is.

Het eerstvolgende kwadraat groter dan 1929 is 44 44 = 1936. Dat is even, dus duidelijk niet van de vorm 1929 + 8k, wat oneven is. Het volgende kwadraat is 45 45 = 2025 en deze is wél van de vereiste vorm (1929 + 8k = 2025 voor k = 12). We kunnen de mieren dus volgens de regels op het rooster plaatsen. Het volstaat om (2025 1929) : 8 = 12 blokken van 3 × 3 hokjes te kiezen. Mathilde zou ze bijvoorbeeld in de eerste drie rijen van het rooster kunnen kiezen.

Daarom is het kleinst mogelijke aantal rijen in Mathilde’s vierkante rooster 2025 = 45.

Statistieken
1358
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
68.0%
teams opgelost
00:33:23
gemiddelde oplostijd

Opgave 14

Zinloos werk

Een groep vrienden wil een aanvankelijk leeg zwembad vullen. Het zwembad heeft afmetingen van 15m × 6m × 2m. Alice brengt elke 30 seconden een volle beker met water van 250ml. Bob brengt elke minuut een volle pot met water van 0,5l. Cornelia brengt elke 5 minuten een volle emmer met water van10dm3. De vrienden proberen het een tijdje, maar al snel hebben ze door dat deze manier van vullen zinloos is, dus ze stoppen ermee. Toch zijn ze nog nieuwsgierig: hoeveel uur zou het hen hebben gekost om het zwembad op deze manier te vullen?

Oplossing

Antwoord:

1000


Het volume van het zwembad is V = 15m 6m 2m = 180m3. Laten we berekenen hoeveel water elke vriend per uur kan brengen.

  • Alice vult haar beker 3600s 30s = 120 keer per uur. Zo voegt ze 120 250ml = 30000ml = 30l water toe aan het zwembad.
  • Bob vult zijn pot 60min 1min = 60 keer per uur. Zo voegt hij 60 0,5l = 30l water toe aan het zwembad.
  • Cornelia vult haar emmer 60min 5min = 12 keer per uur. Zo voegt ze 12 10dm3 = 120l water toe aan het zwembad.

In totaal verhogen de vrienden het watervolume in het zwembad met 30l + 30l + 120l = 180l = 0,18m3 per uur. Hun vulsnelheid is dus v = 0,18m3h. Uiteindelijk zou het vullen van het volledige zwembad t = V v = 180m3 0,18m3h = 1000h duren.

Statistieken
1355
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
80.4%
teams opgelost
00:19:53
gemiddelde oplostijd

Opgave 15

Bloemen zijn oneven

Lucy houdt van wandelen in het park en van bloemen plukken. Het park dat ze vandaag bezoekt bestaat uit 15 vierkante velden, zoals in de onderstaande figuur. Het getal in elk vierkant geeft exact aan hoeveel bloemen Lucy plukt als ze door dat veld loopt (ze mag er niet meer of minder plukken). Lucy start bij de ingang (aangegeven met een pijl) op het veld met 1 bloem. Daarna loopt ze door het park, waarbij ze steeds naar een veld gaat dat een zijde deelt met het huidige veld. Ze hoeft niet door alle velden te gaan, maar ze stapt nooit twee keer op dezelfde weide. Tot slot eindigt ze haar wandeling bij de uitgang (aangegeven met de andere pijl) op het veld met 2 bloemen. Lucy weet dat dit park magisch is: als op enig moment het aantal bloemen dat ze in haar mand heeft even is, verdwijnen ze allemaal (en moet ze opnieuw beginnen met verzamelen vanaf het veld waar ze dan is). Wat is het maximale aantal bloemen dat Lucy bij de uitgang van het park kan hebben?

PIC

Oplossing

Antwoord:

27


Bij de uitgang wil Lucy een oneven aantal bloemen hebben (zodat ze ze niet verliest). Omdat oneven + even altijd oneven is, kan Lucy, als ze eenmaal een oneven aantal bloemen heeft, vervolgens naar een willekeurig aantal velden met een even getal gaan zonder bloemen te verliezen. We zoeken dus naar een reeks van velden met een even getal, die begint bij een veld met een oneven getal en eindigt bij de uitgang. Aangezien we niet weten op welke oneven veld die reeks zal beginnen, lopen we voorlopig simpelweg vanaf de uitgang via velden met een even getal terug en markeren we op elk van die velden (met grijze getallen) hoeveel bloemen Lucy onderweg van daar naar de uitgang zal plukken.

PIC

Nu zoeken we een oneven veld dat (i) grenst aan een van de gemarkeerde velden en (ii) waarvoor de som van het grijze getal op de gemarkeerde weide en het getal op het oneven veld maximaal is. Als we ze allemaal controleren (de velden met de getallen 1, 3 en 7), vinden we dat de maximale som 27 is. Dan hoeven we alleen nog te controleren of we echt bij de ingang kunnen starten en vervolgens dat gewenste oneven veld kunnen bereiken op zo’n manier dat we vóór het betreden ervan een even aantal bloemen hebben (zodat we de bloemen van het oneven veld niet verliezen). Een mogelijke route staat in de figuur.

PIC

Daarom is het maximale aantal bloemen dat Lucy bij de uitgang kan hebben gelijk aan 27.

Statistieken
1335
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
90.2%
teams opgelost
00:17:49
gemiddelde oplostijd

Opgave 16

Het logo inkleuren

Martine ontwerpt een logo voor haar bedrijf. Ze begint met het tekenen van een vierkant ABCD met zijde 12dm. Vervolgens kiest ze drie speciale punten P, Q, R, zodanig dat P het midden van DA is, Q het midden van CD en R het midden van BC. Als laatste tekent ze de lijnstukken AQ, PR en RQ. Ze wil voor het logo alleen de in het grijs gemarkeerde delen uit de onderstaande figuur gebruiken.

PIC

Martine wil haar nieuwe logo inkleuren. Ze weet dat ze één tube verf nodig heeft per 5 vierkante decimeter van haar logo. Hoeveel verftubes moet Martine kopen om genoeg verf te hebben voor haar nieuwe logo?

Oplossing

Antwoord:

8


Eerst moeten we de oppervlakte van het grijze deel berekenen. Dit bestaat uit twee driehoeken. De oppervlakte van een driehoek is gelijk aan de helft van het product van de lengte van een basis (een zijde) en de bijbehorende hoogte. In ons geval is het logisch om als basissen de zijden te nemen die op het lijnstuk PR liggen. De reden is dat de hoogte op die basis gelijk is aan de helft van de zijde van het vierkant, dus 12dm : 2 = 6dm.

De som van de oppervlaktes van twee driehoeken met dezelfde hoogte is gelijk aan de som van hun basissen, vermenigvuldigd met de gemeenschappelijke hoogte en gedeeld door 2. De som van de basissen van onze driehoeken is eenvoudig te bepalen: dat is de lengte van PR, die gelijk is aan de zijde van het vierkant (12dm). De gemeenschappelijke hoogte is 6dm, dus de som van de oppervlaktes van de grijze driehoeken is 12dm6dm 2 = 36dm2.

Martine heeft één tube nodig per 5dm2, dus ze heeft minstens 36dm2 5dm2 = 7,2 tubes nodig. Aangezien Martine alleen een geheel aantal tubes kan kopen, ronden we dit naar boven af tot 8. Daarom moet Martine 8 verftubes kopen.

Statistieken
1313
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
88.3%
teams opgelost
00:17:10
gemiddelde oplostijd

Opgave 17

Vervangende les

Davids les LO op school is vandaag uitgevallen, dus hij belt zijn moeder om hem op te halen en naar huis te brengen. Hun huis ligt op 2,5km van de school, en zijn moeder zegt dat ze al in de auto zit en net gaat vertrekken, en dat ze een constante snelheid van 50kmh heeft. David wil de uitgevallen LO-les compenseren, dus hij besluit meteen na het telefoongesprek richting huis te rennen met een constante snelheid van 10kmh. Wanneer hij zijn moeder tegenkomt, springt hij in de auto en laat hij zich de rest van de afstand brengen. Hoeveel seconden eerder is hij thuis vergeleken met het scenario waarin hij op school op zijn moeder wacht?

Negeer de tijd die David nodig heeft om in te stappen en de tijd die nodig is om te versnellen of te stoppen.

Oplossing

Antwoord:

60


Laten we de afstand van school naar huis aangeven met d, de snelheid van de moeder met vm en Davids snelheid met vD. Bepaal eerst de tijd t1 die nodig is als David niet naar zijn moeder toe rent. In dat geval rijdt de moeder eenvoudig de afstand d van huis naar school en daarna nog eens d van school naar huis, dus in totaal 2d. Dat kost haar t1 = 2d vm. Als we t1 uitrekenen, krijgen we:

t1 = 2 2,5km 50kmh = 0,1h = 6min.

Bepaal nu de tijd t2 in het geval dat David richting huis rent. We kunnen deze tijd schrijven als t2 = t2A + t2B, waarbij t2A de tijd is tot het moment waarop David en zijn moeder elkaar ontmoeten, en t2B de tijd van de ontmoeting tot thuis. De relatieve snelheid tussen de moeder en David is vm + vD. Als we willen weten wanneer ze elkaar ontmoeten, kunnen we ons voorstellen dat de afstand d wordt afgelegd met snelheid vm + vD. Hieruit volgt voor t2A:

t2A = d vm + vD = 2,5km 50kmh + 10kmh = 1 24h.

De tijd t2A is de tijd die de moeder nodig heeft om het ontmoetingspunt te bereiken. Omdat de moeder in beide richtingen met dezelfde snelheid rijdt, is de tijd t2B die ze nodig heeft om van het ontmoetingspunt naar huis te rijden gelijk aan t2A. Dus:

t2 = t2A + t2B = 2 t2A = 2 24h = 1 12h = 5min

Het verschil met het eerste scenario is t1 t2 = 6min 5min = 1min, oftewel 60s.

Statistieken
1281
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
52.8%
teams opgelost
00:35:52
gemiddelde oplostijd

Opgave 18

Goedkope verwarming

Michael heeft een lichaamstemperatuur 37C en hij staat in een perfect gesloten en geïsoleerde kamer, met lucht van totale massa 6kg en begintemperatuur 20C. Na 2 minuten in de kamer te hebben gestaan, merkt hij dat de temperatuur van de lucht nu 22C is. Zijn lichaam heeft echter nog steeds dezelfde temperatuur, 37C. Wat is het gemiddelde vermogen in watt dat Michaels lichaam tijdens deze 2 minuten aan warmte heeft afgegeven?

De soortelijke warmtecapaciteit van lucht hangt ervan af of de druk of het volume constant is. Bij constante druk is dit cp = 1005J(kgC). Bij constant volume is dit cV = 718J(kgC).

Oplossing

Antwoord:

71,8


De kamer met Michael is perfect gesloten, dus het luchtvolume is constant. We moeten dus de soortelijke warmtecapaciteit bij constant volume cV gebruiken. De lucht met massa m = 6kg in de kamer stijgt in temperatuur van t0 = 20C naar t1 = 22C. Daarvoor moet de lucht warmte hebben opgenomen ter waarde van Q = cV m (t1 t0). Alleen Michael kan daarvoor hebben gezorgd, dus hij heeft arbeid W = Q aan de lucht geleverd. Aangezien zijn temperatuur niet is veranderd, is alle door Michael geleverde arbeid precies W. Hij leverde die gedurende het tijdsinterval τ = 120s. Het gemiddelde vermogen van Michael was dus

P = W τ = cV m (t1 t0) τ = 718J(kgC) 6kg (22C 20C) 120s = 71,8W.

Statistieken
1237
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
16.7%
teams opgelost
00:33:29
gemiddelde oplostijd

Opgave 19

Cleopatra’s piramide

Cleopatra gaf de Egyptenaren opdracht om voor haar een geschikte verblijfplaats voor na haar dood te bouwen. Natuurlijk wil ze die in de vorm van een piramide. Ze tekende een plan voor de bouwers, te zien in de figuur. Cleopatra houdt ook van wiskunde, dus wil ze dat op elke steen een positief geheel getal staat. Ze heeft ook extra eisen:

De bouwers slagen erin aan Cleopatra’s eisen te voldoen. Wat is de som van de getallen in de onderste rij van Cleopatra’s piramide?

PIC

Oplossing

Antwoord:

1978


Het is duidelijk dat het enige positieve getal dat in de meest linkse steen van de onderste rij kan staan 3 2 = 1 is. Laten we nu het getal in het midden van de onderste rij aanduiden met x. De somregel van de piramide dwingt dan de waarden van alle overige stenen af zoals in de volgende figuur:

PIC

We moeten nu geschikte waarden van x vinden waarvoor alle vermeldingen in de piramide verschillende positieve gehele getallen zijn. De getallen 1, 2 en 3 zijn al gebruikt, dus x 4. We zullen laten zien dat alleen x = 4 werkt. Stel, met als doel een tegenspraak af te leiden, dat x 5. In dat geval geldt 15 2x 5. Als x = 5 is, dan is 15 2x ook gelijk aan 5, een tegenspraak. Als x > 5 is, dan is 15 2x maximaal 3, en om positief te zijn moet het dan 1, 2 of 3 zijn, die al gebruikt zijn, wederom een tegenspraak.

We hebben dus aangetoond dat x = 4. Nu is het eenvoudig om de hele piramide uit te rekenen en te controleren dat alle elementen verschillend zijn:

PIC

Ten slotte berekenen we de som van de onderste rij: 1 + 2 + 4 + 7 + 1964 = 1978.

Statistieken
1164
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
85.8%
teams opgelost
00:16:03
gemiddelde oplostijd

Opgave 20

Onder druk

Anne en Marie houden van maatcilinders. Anne heeft een maatcilinder waarvan de bodem een straal heeft van 5cm, terwijl Marie een maatcilinder waar de straal van de bodem onbekend is. Anne wil Marie helpen de straal te bepalen. Ze heeft geen liniaal, maar ze beschikt over een apparaat dat de hydrostatische druk op de bodem van de cilinders kan meten. Wanneer Anne een zeker volume van een onbekende vloeistof in haar cilinder giet, meet ze een hydrostatische druk op de bodem van 50000Pa. Vervolgens giet ze hetzelfde volume van dezelfde vloeistof in Marie’s cilinder en ze meet nu een hydrostatische druk van 12500Pa. Wat is de straal van de bodem van Marie’s cilinder in centimeter?

Beide cilinders waren hoog genoeg zodat het gekozen volume vloeistof niet overstroomde.

Oplossing

Antwoord:

10


De formule voor hydrostatische druk is p = ρvloeistofgh. Zowel ρvloeistof als g bleven hetzelfde tussen de twee metingen, dus kunnen we hun product als een constante aanduiden: k = ρvloeistofg. Als we de cilinder van Anne aanduiden met index A en die van Marie met index M, kunnen we de volgende vergelijkingen opschrijven:

pA = k hA,pM = k hM.

waarbij hA en hM de hoogtes van de vloeistof in de cilinders zijn. Aangezien de constante k in beide vergelijkingen gelijk is, kunnen we deze herschrijven tot één vergelijking:

pA hA = pM hM.

We kunnen nu de hoogtes hA en hM uitdrukken met behulp van het volume van de vloeistof V en de stralen rA en rM van de cilinders:

hA = V πrA2,hM = V πrM2.

Als we dit in de vergelijking substitueren, krijgen we:

pA πrA2 V = pM πrM2 V , pA rA2 = p M rM2.

Hieruit kunnen we nu rM uitdrukken en het resultaat vinden:

rM = pA rA 2 pM = rA pA pM = 0,05m 50000Pa 12500Pa = 0,1m.

Dus de bodem van Marie’s cilinder heeft een straal van 10cm.

Statistieken
1116
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
45.4%
teams opgelost
00:26:44
gemiddelde oplostijd

Opgave 21

Sprookje der oneven bladzijden

Olivia heeft van haar grootmoeder een prachtig gedrukt boek met 50 sprookjes gekregen. Elk sprookje heeft een verschillend aantal bladzijden, variërend van 1 tot 50. Olivia merkt op dat elk sprookje op een nieuwe bladzijde begint, en dat het eerste sprookje op bladzijde 1 begint. Wat is het grootste mogelijke aantal sprookjes dat op een oneven bladzijde kan beginnen?

Oplossing

Antwoord:

38


Het boek bestaat uit 25 sprookjes met een even aantal bladzijden en 25 sprookjes met een oneven aantal bladzijden. Elk sprookje met een even aantal bladzijden verandert de pariteit van de eerste bladzijde van het volgende sprookje niet; dat wil zeggen, als het op een even bladzijde begint, begint het volgende sprookje ook op een even bladzijde. Om het aantal sprookjes dat op een oneven bladzijde begint te maximaliseren, willen we dat elk sprookje met een even aantal bladzijden op een oneven bladzijde begint. Dan zullen alle 25 sprookjes met even lengte op oneven bladzijden beginnen.

De situatie is anders voor sprookjes met een oneven aantal bladzijden. Elk daarvan verandert de pariteit van de beginbladzijde van het volgende sprookje. Om het aantal sprookjes dat op een oneven bladzijde begint te maximaliseren, kunnen we het eerste sprookje van oneven lengte op een oneven bladzijde laten beginnen. Daarna zal de eerste bladzijde van elk volgend oneven sprookje afwisselen tussen oneven en even. Daarom zullen van de 25 sprookjes van onveven lengte er 13 op een oneven bladzijde beginnen en 12 op een even bladzijde.

In totaal zijn er dus 25 + 13 = 38 sprookjes die op een oneven bladzijde beginnen.

Statistieken
1044
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
53.6%
teams opgelost
00:20:59
gemiddelde oplostijd

Opgave 22

Halfpipe

Snowboarders rijden met hun snowboard op een halfpipe. Deze bestaat uit twee kwartcirkelvormige delen met straal 4,5m die 3m uit elkaar liggen. Veronderstel dat een snowboard een plank is waarvan de wrijvingscoëfficiënt met de cirkelvormige delen van de halfpipe 0 is en met het horizontale deel van de halfpipe 0,05. Een snowboarder met massa 80kg laat zich vanaf het hoogste punt van de halfpipe naar beneden glijden, zonder beginsnelheid. Hoe vaak passeert hij het horizontale deel van de halfpipe (in welke richting dan ook) totdat hij tot stilstand komt?

Veronderstel dat er geen andere krachten op de snowboarder werken dan de zwaartekracht en de wrijvingskracht.

PIC

Oplossing

Antwoord:

30


Aan het begin is de totale energie van de snowboarder gelijk aan zijn potentiële energie. Deze is Ep = mgr, waarbij m = 80kg zijn massa is en r = 4,5m de straal van de kwartcirkelvormige delen (en tevens de hoogte boven de grond waarvan hij vertrekt).

De snowboarder verliest geen energie op de kwartcirkelvormige delen. Hij verliest alleen energie op het horizontale deel door wrijving. De wrijvingscoëfficiënt is f = 0,05, dus de grootte van de wrijvingskracht is Ff = mgf. Deze kracht werkt over het gehele horizontale deel met lengte s = 3m. De kracht verricht arbeid W = Fs = mgfs op het snowboard. Oftewel, de snowboarder moet deze hoeveelheid arbeid leveren om de wrijving te overwinnen. Daarom neemt zijn energie bij elke passage van het horizontale deel met W af.

Na n passages is de energie van de snowboarder met nW afgenomen. We zoeken de kleinste n waarvoor het verschil Ep nW kleiner dan 0 wordt, want dat is de passage waarbij de snowboarder stopt. Dit geeft de volgend ongelijkheid:

Ep nW 0, Ep nW, n Ep W = mgr mgfs = r fs = 4,5m 0,05 3m = 30.

De snowboarder komt dus tot stilstand aan het einde van de 30e passage van het horizontale deel.

Statistieken
942
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
19.4%
teams opgelost
00:29:05
gemiddelde oplostijd

Opgave 23

Steen, papier, schaar

Marjan en Marko spelen steen, papier, schaar. Het spel verloopt als volgt. Op een bepaald moment laten zowel Marjan als Marko één van de gebaren zien: steen, papier of schaar. Als ze hetzelfde gebaar laten zien, eindigt het spel in een gelijkspel. Anders geldt: steen wint van schaar, schaar wint van papier en papier wint van steen. Marjan en Marko hielden tijdens het spel statistieken bij. Ze merkten dat steen 27 keer werd gebruikt, papier 25 keer en schaar 24 keer. Er bleek 19 keer een gelijkspel te zijn geweest. Bovendien won steen 10 keer en verloor 7 keer. Hoe vaak won schaar van papier?

Oplossing

Antwoord:

2


Het totale aantal getoonde gebaren is 27 + 25 + 24 = 76. In elk spel worden twee gebaren getoond, dus waren er 76 : 2 = 38 spellen. In 19 daarvan was er een gelijkspel; in de overige 38 19 = 19 spellen won één van de gebaren. Van deze spellen won steen 10 keer en verloor 7 keer. De resterende 19 10 7 = 2 spellen zijn precies die waarin schaar en papier werden gekozen en schaar won. Dus schaar won 2 keer. Opmerking: Dit scenario is ook daadwerkelijk te realiseren. Naast de reeds bekende overwinningen moet het gelijkspel steen-steen 5 keer voorkomen, papier-papier 8 keer en schaar-schaar 7 keer.

Statistieken
831
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
76.5%
teams opgelost
00:11:59
gemiddelde oplostijd

Opgave 24

De sterkste wint

Vier piraten vonden een schatkist. Ze begonnen onmiddellijk te ruziën over wie hem mocht hebben. Na een hevige maar vruchteloze discussie onstond de situatie dat elke piraat de kist naar zich toe wilde trekken. Anna trok de kist naar het noorden met een kracht van 75N. Barbara trok de kist naar het oosten met een kracht van 120N. Chloë trok de kist naar het zuiden met een kracht van 100N. Ten slotte trok Davy de kist naar het westen met een kracht van 60N. Wat is de grootte, in Newton, van de resulterende kracht die op de kist werkt?

Oplossing

Antwoord:

65


Laten we eerst kijken naar de krachten in de noord-zuidrichting. De kist wordt naar het noorden getrokken met een kracht van 75N en naar het zuiden met een kracht van 100N. Dat resulteert in een kracht van 100N 75N = 25N naar het zuiden. Op dezelfde manier bekijken we de krachten in de oost-westrichting. De kist wordt naar het oosten getrokken met een kracht van 120N en naar het westen met een kracht van 60N. Dat resulteert in een kracht van 120N 60N = 60N naar het oosten. De resulterende kracht op de kist vormt de schuine zijde van een rechthoekige driehoek met rechthoekszijden 25N en 60N. Volgens de stelling van Pythagoras geldt dan:

F = (25N )2 + (60N )2 = 552 + 122N = 5 13N = 65N.

De resulterende kracht die op de kist werkt heeft dus een grootte van 65N.

Statistieken
743
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
51.3%
teams opgelost
00:14:25
gemiddelde oplostijd

Opgave 25

Schakelaar en weerstand

Jonas ging door een doos met de spelletjes van zijn opa. Hij vond verschillende elektrische componenten, waaronder weerstanden met weerstanden 6Ω, 12Ω, 30Ω en 36Ω. Hij vond ook een bron met spanning 3V. Jonas gebruikte de componenten om de schakeling uit de figuur te bouwen en mat de stroom die door de schakeling liep. Vervolgens zette hij de schakelaar om. Met hoeveel ampère nam de stroom door de gehele schakeling toe? Antwoord met een breuk in de eenvoudigste vorm.

PIC

Oplossing

Antwoord:

1 14


Noteer de weerstanden als R1 = 6Ω, R2 = 12Ω, R3 = 30Ω en R4 = 36Ω. We berekenen de stroom door de schakeling in beide gevallen. Beschouw eerst de situatie waarin de schakelaar open is. Dan hebben we een parallelschakeling van twee takken. In de bovenste tak is de totale weerstand Rb = R2 + R3 = 42Ω, terwijl in de onderste tak de weerstand Ro = R1 + R4 = 42Ω is. De totale weerstand is dus R1 = Rb Ro Rb + Ro = 42Ω 42Ω 42Ω + 42Ω = 21Ω. Omdat de bronspanning U = 3V is, volgt dat de stroom door de schakeling

I1 = U R1 = 3V 21Ω = 1 7A

is.

Laten we nu het geval bekijken dat de schakelaar gesloten is. Dan hebben we twee parallelschakelingen in serie. De eerste tak heeft weerstand R21 = 36Ω 12Ω 36Ω + 12Ω = 9Ω, terwijl de tweede tak weerstand R22 = 30Ω 6Ω 30Ω + 6Ω = 5Ω heeft. In totaal is de weerstand R2 = R21 + R22 = 9Ω + 5Ω = 14Ω. De totale stroom is dan

I2 = U R2 = 3V 14Ω = 3 14A.

Dus, nadat Jonas de schakelaar heeft omgezet, neemt de stroom toe met

ΔI = I2 I1 = 3 14A 1 7A = 1 14A.

Statistieken
633
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
19.4%
teams opgelost
00:23:18
gemiddelde oplostijd

Opgave 26

Ondergrond van de speeltuin

Het stadsbestuur van Náboj-Stad plant een nieuwe speeltuin. Voordat ze met klimtoestellen komen, moeten ze de ondergrond van de speeltuin ontwerpen. De speeltuin krijgt een driehoekige vorm met een omtrek van 27m. Verder komen er smalle paadjes die de speeltuin in meerdere delen opdelen, zoals in de figuur. De grijze delen krijgen grind, en de som van hun omtrekken is 30m. De witte delen krijgen een rubberen toplaag, en de som van hun omtrekken is 33m. Wat is dan de som van de lengtes van alle paadjes (de stippellijnen) binnen de speeltuin, in meter?

PIC

Oplossing

Antwoord:

18


Er zijn twee soorten lijnstukken in de figuur:

  • lijnstukken die een paadje bevatten (stippellijnen);
  • lijnstukken die op de rand van de speeltuin liggen.

De opgave vraagt om de som van de lengtes van de lijnstukken van het eerste type. Anderzijds weten we dat de som van de lengtes van de lijnstukken van het tweede type gelijk is aan de omtrek van de speeltuin, dus 27m.

De truc is om de som te bekijken van de totale omtrek van de grijze delen en de totale omtrek van de witte delen, namelijk 30m + 33m = 63m. Merk op dat elk lijnstuk van het eerste type tweemaal bijdraagt aan deze som, terwijl elk lijnstuk van het tweede type slechts eenmaal bijdraagt. Als we hieruit de omtrek van de speeltuin aftrekken (die gelijk is aan de som van de lengtes van de lijnstukken van het tweede type), krijgen we dat 63m 27m = 36m gelijk is aan tweemaal de som van de lengtes van de lijnstukken van het eerste type.

Ten slotte hoeven we alleen door 2 te delen om te vinden dat de som van de lengtes van de paadjes 36m : 2 = 18m is.

Statistieken
529
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
62.9%
teams opgelost
00:11:07
gemiddelde oplostijd

Opgave 27

Hydrostatisch onderlegde aquariumhouder

Radek heeft onlangs een nieuw rechthoekig (balkvormig) aquarium voor zijn vissen gekocht. Nu vraagt hij zich af wat de beste manier is om het op een bureau te plaatsen. Hij vulde het aquarium tot 23 van zijn volume met water en maakte de bovenkant dicht. Vervolgens plaatste Radek het aquarium op drie verschillende manieren op het bureau en mat steeds de hydrostatische druk op de bodem van het aquarium. Zo verkreeg hij drukken van 4000Pa, 10000Pa en 20000Pa. Hoewel Radek hieruit niets nuttigs kon opmaken wat betreft vissen houden (hij is geen bioloog en heeft geen idee hoe druk hen beïnvloedt), stelden de metingen hem verrassend genoeg in staat het volume van het aquarium te berekenen. Wat is het volume van het aquarium in liter?

Oplossing

Antwoord:

2700


Laat a, b en c de lengte, breedte en hoogte van het aquarium zijn, in een onbepaalde volgorde. We zijn op zoek naar het volume V = abc vinden. Noem de door Radek verkregen drukken respectievelijk p1 = 4000Pa, p2 = 10000Pa en p3 = 20000Pa. Het aquarium is gevuld met water tot 23 van zijn volume. Dus als Radek het aquarium op één van zijn zijvlakken zet, reikt het water tot 23 van de op dat moment verticale afmeting van het aquarium. Voor de drie mogelijke plaatsingen van het aquarium krijgen we daarom de volgende vergelijkingen voor de hydrostatische druk:

p1 = 2 3aρwaterg, p2 = 2 3bρwaterg, p3 = 2 3cρwaterg.

Hieruit kunnen we de afmetingen van het aquarium uitdrukken:

a = 3p1 2ρwaterg, b = 3p2 2ρwaterg, c = 3p3 2ρwaterg.

Ten slotte is het volume van het aquarium

V = abc = 27p1p2p3 8ρwater3g3 = 27 4000Pa 10000Pa 20000Pa 8 (1000kgm3)3 (10Nkg)3 = 2,7m3.

We moesten het volume in liter uitdrukken, dus zetten we dit om en vinden we dat het volume van Radeks aquarium 2700L is.

Statistieken
443
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
35.4%
teams opgelost
00:15:06
gemiddelde oplostijd

Opgave 28

Nachtshow

In Náboj-Stad staat een kunstinstallatie in de open lucht. De installatie bestaat uit twee torens, één met een hoogte van 3m en de andere met een hoogte van 5m, die 20m uit elkaar staan. Op de top van de kleinere toren bevindt zich een laser. Deze is gericht op een kleine spiegel op de horizontale grond (weergegeven door punt A in de figuur), zodat de laserstraal (de stippellijn) weerkaatst en precies het doel op de top van de hogere toren raakt. Wat is de afstand van de spiegel tot de voet van de kleinere toren, in meters?

PIC

De figuur is niet op schaal getekend.

Oplossing

Antwoord:

7,5


De lichtstraal weerkaatst volgens de spiegelwet. Dat wil zeggen dat de invalshoek en de terugkaatsingshoek dezelfde grootte hebben. Dus de hoeken die met α zijn aangeduid in onderstaande figuur hebben dezelfde grootte:

PIC

De twee driehoeken die in de figuur te zien zijn hebben allebei hebben één hoek met grootte α en één rechte hoek. Ze zijn dus gelijkvormig. Hieruit volgt dat het horizontale lijnstuk van 20m in dezelfde verhouding wordt verdeeld als de verhouding van de hoogtes van de torens, namelijk 3: 5. Het kleinere deel heeft dus een lengte van 3 3+5 20m = 7,5m. Met andere woorden, de spiegel moet op een afstand van 7,5m van de voet van de kleinere toren worden geplaatst.

Statistieken
369
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
64.8%
teams opgelost
00:09:32
gemiddelde oplostijd

Opgave 29

Schietoefening

In zijn jeugd was scherpschutter Joe zeer bedreven in het schieten vanaf rijdende treinen. Omdat treinen tegenwoordig veel sneller gaan dan hij gewend is, wil hij dit weer oefenen. Hij plaatst een stilstaand doel op een afstand van 48 meter van een rechte spoorbaan. Vervolgens springt hij op het dak van een sneltrein (rijdend over die spoorbaan) die het doel met constante snelheid van 56ms voorbij zal rijden. Joes vuurrichting staat loodrecht op de trein en de kogels met bewegen een snelheid van 192ms ten opzichte van de revolver. Hoeveel meter van het doel verwijderd moet Joe zich bevinden op het moment dat hij de trekker overhaalt, zodat de kogel het doel raakt? Neem aan dat er geen luchtweerstand is en dat Joe en het doel zich op vrijwel dezelfde hoogte boven de grond bevinden.

Doe dit niet zelf na, je loopt een grote kans op elektrocutie.

Oplossing

Antwoord:

50


Splits het probleem in twee richtingen — één langs de spoorbaan en één loodrecht daarop. In de loodrechte richting moet de kogel een afstand van sp = 48m afleggen. Aangezien de kogel in die richting een snelheid heeft van vp = 192ms, duurt de vlucht

t = sp vp = 48m 192ms = 0,25s.

De kogel heeft echter ook een component van de snelheid in de richting van de spoorbaan (door de vaart van de revolver op het rijdende dak). In tijd t legt de trein, met snelheid vt = 56ms, de afstand

st = vtt = 56ms 0,25s = 14m.

Om het doel te raken moet Joe dus vuren op een punt dat 14m vóór het punt ligt waar zijn positie boven het loodrechte projectiepunt van het doel op de spoorbaan komt. Hij bevindt zich dan in een rechthoekige driehoek met rechthoekszijden 14m en 48m. Uit de stelling van Pythagoras volgt dat de schuine zijde

(14m)2 + (48m)2 = 50m

lang is. Dit is de afstand waarop Joe zich moet bevinden als hij schiet, dus het antwoord is 50m.

Statistieken
297
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
45.8%
teams opgelost
00:15:20
gemiddelde oplostijd

Opgave 30

Allemaal leuk en aardig totdat...

In de pauze schreef Jacco een lange uitdrukking op het bord: 1 + 2 + 3 + + 101. De wiskundeleraar liep langs, glimlachte en zei: “Interessant… wat als we sommige plustekens veranderen in mintekens? Kunnen we de uitkomst gelijk maken aan 2025?” De uitdaging bleek niet zo eenvoudig! Wat is het kleinste aantal plustekens dat in mintekens moet worden veranderd om de som precies gelijk te maken aan 2025?

Oplossing

Antwoord:

17


Met een formule van het formuleblad kunnen we gemakkelijk berekenen dat 1 + 2 + 3 + + 101 = 5151. Bij elke verandering van een plusteken naar een minteken verlagen we de uitkomst met het dubbele van het betreffende getal. Om zo snel mogelijk van 5151 naar 2025 te gaan, moeten we beginnen met de grootste getallen. In totaal moeten we de uitkomst verlagen met 5151 2025 = 3126. De som van de af te trekken getallen moet dus 3126 : 2 = 1563 zijn (gedeeld door 2, omdat elke verandering van + naar de uitkomst verlaagt met het dubbele van het getal waarvan we het teken veranderen). Elk afgetrokken getal is hoogstens 100, dus hebben we meer nodig dan 1563 : 100 = 15,63, dus ten minste 16 getallen.

Als we de 16 grootste getallen van teken veranderen, krijgen we

5151 2 (86 + 87 + + 101) = 5151 2 (187 8) = 5151 2992 = 2159.

Dit ligt iets boven 2025, namelijk 2159 2025 = 134. Om de uitkomst nog met 134 te verlagen, moeten we het teken voor het getal 134 : 2 = 67 veranderen. Zo verkrijgen we precies 2025 na in totaal 16 + 1 = 17 plustekens te hebben omgezet in mintekens.

Statistieken
232
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
46.1%
teams opgelost
00:17:13
gemiddelde oplostijd

Opgave 31

Ongewone opwarming

Ann speelt met een rubberen bal met een temperatuur van 20C en een soortelijke warmtecapaciteit van 1250J(kgC). Ze houdt de bal op een hoogte van 2,5m boven een horizontale vloer en laat hem vallen zodat hij stuitert. Bij elke stuit verliest de bal de helft van zijn snelheid bij de botsing. We nemen aan dat de helft van de energie die de bal tijdens de stuit verliest, wordt omgezet in warmte die door de bal wordt opgenomen (en dat de bal geen warmte verliest aan de omgeving). Na enige tijd komt de bal tot stilstand op de vloer. Wat is dan de temperatuur van de bal in graden Celsius?

Oplossing

Antwoord:

20,01


Laat m de massa van de bal zijn. De oorspronkelijke potentiële energie van de bal is Ep = mgh, waarbij h = 2,5m. De bal blijft tijdens de stuiten energie verliezen. Bij elke stuit verliest de bal een deel van zijn energie. Slechts de helft van deze verloren energie wordt omgezet in warmte die door de bal wordt opgenomen. Aangezien uiteindelijk alle oorspronkelijke potentiële energie wordt omgezet in het proces van tot rust komen, wordt precies de helft van de potentiële energie omgezet in warmte-energie van de bal.

De warmte die de bal opneemt is dus Ep2. Dit zorgt ervoor dat de bal, met een soortelijke warmtecapaciteit c = 1250J(kgC), in temperatuur stijgt met Δt gegeven door:

Ep2 = cmΔt, mgh 2 = cmΔt, Δt = gh 2c = 10Nkg 2,5m 2 1250J(kgC) = 0,01C.

De temperatuur van de bal stijgt dus van t = 20C naar t = t + Δt = 20C + 0,01C = 20,01C.

Statistieken
182
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
22.5%
teams opgelost
00:17:09
gemiddelde oplostijd

Opgave 32

Mikado

Annemarie speelt Mikado. Ze neemt 4 stokjes en gooide ze op tafel. Ze doet dat op een bijzondere manier: van bovenaf gezien lijken alle 4 stokjes door één gemeenschappelijk punt te gaan. Nog steeds van bovenaf gezien meet Annemarie de scherpe hoek tussen elk paar stokjes. Op deze manier verkreeg ze 6 hoeken. Vijf daarvan zijn 16, 40, 45, 56 en 61. Als Annemarie deze informatie aan Michael geeft, ondekt hij dat de zesde hoek twee verschillende waarden kan aannemen. Hij besluit de grotere te berekenen. Wat is de grootte in graden van de hoek die Michael berekent?

Oplossing

Antwoord:

79


Neem drie van de stokjes. Wat kunnen we zeggen over de drie scherpe hoeken ertussen? We zullen aantonen dat minstens één van de volgende twee uitspraken noodzakelijk waar is:

a)
Eén van de scherpe hoeken is de som van de andere twee.
b)
De drie scherpe hoeken samen zijn 180.

Drie lijnen verdelen een volle hoek in 3 paren van hoeken met dezelfde grootte. Er kan hoogstens één van deze paren uit stompe (of rechte) hoeken bestaan – anders zou de volle hoek meer dan 360 bedragen. We kunnen dus twee paren van scherpe hoeken nemen van de drie paren. Deze twee paren bepalen twee van de drie scherpe hoeken die door de drie lijnen worden gevormd. De vraag is nu hoe de derde eruitziet.

De twee scherpe hoeken die we al hebben, delen een gemeenschappelijke lijn. Stel eerst dat hun som scherp is. In dat geval is dit de derde scherpe hoek, en bevinden we ons in situatie a). Is hun som echter stomp, dan wordt de derde hoek het supplement van deze som tot 180, wat situatie b) oplevert.

Nu zijn we klaar om het oorspronkelijke probleem aan te pakken. We kennen 5 van de 6 hoeken, dus er moet een drietal stokjes zijn waarvoor we alle hoeken kennen. Zij moeten aan één van de bovenstaande voorwaarden voldoen. Geen drie van de hoeken voldoen aan b), want de maximale som die we kunnen krijgen is 45 + 56 + 61 = 162 < 180. We kunnen echter twee drietallen vinden die aan voorwaarde a) voldoen, namelijk 16 + 40 = 56 en 16 + 45 = 61. Hieruit volgt dat er zeker twee lijnen zijn met een onderlinge hoek van 16. De twee drietallen van hoeken worden gevormd door deze twee lijnen met een derde lijn, dus beide gevonden drietallen moeten worden gebruikt.

We beginnen dus met twee lijnen met een hoek van 16. Vervolgens voegen we lijnen toe zodat ze hoeken van respectievelijk 40 en 45 vormen met de benen van deze hoek van 16 (en ze mogen niet overlappen met de hoek van 16). We moeten dus twee gevallen beschouwen:

Geval 1.
Ze liggen aan dezelfde kant. In dat geval is er zeker een scherpe hoek van 45 40 = 5. Er kan worden gecontroleerd dat alle overige hoeken overeenkomen met Annemaries metingen.
Geval 2.
Ze liggen aan tegenovergestelde kanten. In dit geval vormen twee lijnen een hoek van 45 + 16 + 40 = 101. Deze hoek is echter stomp, dus we moeten zijn supplement nemen, namelijk 180 101 = 79. Ook hier is gemakkelijk na te gaan dat deze configuratie aan de voorwaarden voldoet.

Kortom, we vinden dat de grootst mogelijke waarde voor de zesde hoek 79 is — dit is dus de hoek die Michael berekende.

Statistieken
142
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
25.4%
teams opgelost
00:18:05
gemiddelde oplostijd

Opgave 33

Geen mean girls
Kristien en Katrien leren over gemiddelden. Beide meisjes schreven 8 verschillende gehele getallen op een papier en berekenden hun rekenkundig gemiddelde. Kristien kreeg als rekenkundig gemiddelde 45 en Kate kreeg 65. Vervolgens vergeleken ze de getallen die ze hadden opgeschreven. Het bleek dat er precies één geheel getal was dat door beide meisjes was opgeschreven. Daarom besloten ze een nieuw vel papier te nemen en alle 15 unieke getallen op te schrijven die ze oorspronkelijk hadden genoteerd (het getal dat door beiden was opgeschreven, schreven ze maar één keer). Ten slotte berekenden ze het rekenkundig gemiddelde van alle getallen op dit papier. Dat bleek 57 te zijn. Welk geheel getal was oorspronkelijk door zowel Kristien als Katrien opgeschreven?

Oplossing

Antwoord:

25


Kristien schreef 8 getallen op met rekenkundig gemiddelde 45. De som van deze 8 getallen moet dus 8 45 = 360 zijn. Evenzo schreef Katrien 8 getallen op met rekenkundig gemiddelde 65. De som van deze 8 getallen moet dus 8 65 = 520 zijn. De som van de door beide meisjes opgeschreven getallen is dus 360 + 520 = 880.

Daarna schreven de meisjes 8 + 8 1 = 15 getallen op (ze schreven het ene gemeenschappelijke getal slechts één keer) met een rekenkundig gemiddelde van 57. De som daarvan is dus 15 57 = 855. Dit getal verschilt van het eerder verkregen 880 precies met het getal dat door beide meisjes was opgeschreven. Dat betekent dat het door beiden genoteerde getal 880 855 = 25 was.

Statistieken
100
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
66.0%
teams opgelost
00:08:11
gemiddelde oplostijd

Opgave 34

Boeiende opgave

Een bedrijf produceert boeien. Ze maken onder andere een rode boei die een bol is met een volume van 40l en een gemiddelde dichtheid van 50kgm3. Ten behoeve van de stabiliteit willen ze een ketting met verwaarloosbaar volume aan de boei bevestigen, zodat 20% van het volume van de bol zich onder water bevindt. De lineaire dichtheid van de ketting is 3kgm. Wat is de lengte van de ketting in meters die het bedrijf aan de boei moet bevestigen om aan deze eis te voldoen?

Oplossing

Antwoord:

2


Eerst moeten we begrijpen wat de grootheid “lineaire dichtheid” betekent. We duiden deze aan met λ. Uit de eenheid kgm kunnen we opmaken dat een ketting met massa m en lengte een lineaire dichtheid heeft λ = m . In ons probleem kennen we de lineaire dichtheid λ = 3kgm en moeten we de lengte berekenen.

Terug naar het oorspronkelijke probleem: we hebben een bol met volume V = 40l = 0,04m3 en gemiddelde dichtheid ρ = 50kgm3. Deze bol heeft een van m0 = ρV = 2kg.

We willen dat 20% van de bol onder water is, dus de boei moet uiteindelijk een gemiddelde dichtheid hebben van 20% van de dichtheid van water. Hij moet dus een dichtheid hebben van ρ = 20 100 1000kgm3 = 200kgm3.

Het bevestigen van een ketting met verwaarloosbaar volume vergroot het volume niet, dus het volume blijft V . De totale massa van de boei moet daarom m = ρV = 200kgm3 0,04m3 = 8kg zijn.

We moeten de massa dus verhogen met m m0 = 6kg. Daarvoor hebben we een ketting nodig met een lengte van

= m m0 λ = 6kg 3kgm = 2m.

Statistieken
85
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
51.8%
teams opgelost
00:11:55
gemiddelde oplostijd

Opgave 35

De weerstandwizard

Kubo vond twee weerstanden. Hij kent hun weerstand niet, dus besluit hij die te bepalen. Eerst schakelde hij ze in serie en stelde vast dat de weerstand van deze schakeling 64Ω is. Daarna schakelde hij ze parallel en verkreeg een schakeling met weerstand 7Ω. Wat is de weerstand, in ohm, van de weerstand met de grootste waarde?

Oplossing

Antwoord:

56


Noem de weerstanden R1 en R2. De voorwaarde voor de serieschakeling levert de vergelijking

R1 + R2 = 64Ω.

De voorwaarde voor de parallelschakeling geeft

1 R1 + 1 R2 = 1 7Ω.

We hebben dus een stelsel van twee vergelijkingen met twee onbekenden. Herschrijven van de tweede voorwaarde en gebruiken van de eerste vergelijking vereenvoudigt dit tot

R1 + R2 R1R2 = 1 7Ω, 64Ω R1R2 = 1 7Ω, R1R2 = (7 64)Ω2.

De weerstandswaarden hebben dus een som van 64 en een product van 448. Als we vermoeden dat de waarden gehele getallen zijn, moeten we een paar complementaire delers van 448 vinden met som 64. Ten minste één van de delers moet deelbaar zijn door 8 (omdat 448 deelbaar is door 64 = 82). Omdat ook de som van beide delers deelbaar is door 8, moet de tweede deler eveneens door 8 deelbaar zijn. Dit laat slechts één mogelijkheid over: de delers 8 en 56, die inderdaad aan de voorwaarden voldoen. We worden gevraagd naar de grootste weerstand. Die is gelijk aan 56Ω.

Statistieken
68
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
63.2%
teams opgelost
00:13:01
gemiddelde oplostijd

Opgave 36

Absoluut verschillend probleem

Suzanne speelt met getallen. Ze kiest 20 paarsgewijs verschillende positieve gehele getallen met som 2025 en schrijft ze in een bepaalde volgorde langs een cirkel met een blauwe pen. Vervolgens bekijkt ze elk paar van aangrenzende getallen, berekent hun absolute verschil (d.w.z. het grotere getal min het kleinere) en schrijft dat tussen de getallen met een rode pen. Daarna berekent ze de som van alle rode getallen. Wat is de minimale som van alle 20 rode getallen?

Oplossing

Antwoord:

40


Laat m het kleinste en M het grootste van de opgeschreven getallen zijn. Deze staan ergens op de cirkel. Beschouw de cirkelbogen van m naar M. Er zijn twee zulke bogen; we focussen op één ervan. We beweren dat de som van de rode getallen langs deze boog minimaal M m is.

Als de getallen langs de boog in stijgende volgorde van m naar M staan, bijvoorbeeld m < a1 < a2 < < ak < M, dan is de som van de rode getallen

(a1 m) + (a2 a1) + (a3 a2) + + (M ak) = M m.

Anders is er ergens een daling. In dat geval moeten we niet alleen in stappen van m naar M stijgen, maar ook de daling(en) compenseren. Daardoor neemt de som van de rode getallen met ten minste tweemaal de grootte van de daling toe. Dit vergroot de totale som, dus dit is zeker niet optimaal.

Tot dusver hebben we gevonden dat de minimale som van rode getallen langs elke boog van m naar M gelijk is aan M m. Er zijn twee zulke bogen, dus is de minimale totale som van rode getallen 2(M m).

Het probleem reduceert nu tot het vinden van de kleinst mogelijke waarde van M m. De kleinste mogelijke waarde zouden we krijgen als de 20 getallen 20 opeenvolgende gehele getallen vormen (dan is M m = 19). Dat kan echter niet: de som van 20 opeenvolgende getallen is altijd 10 keer de som van het kleinste en het grootste element, en dus een veelvoud van 10. Het getal 2025 is daarentegen geen veelvoud van 10.

We kunnen echter concluderen dat M m = 20 wel haalbaar is. We kunnen bijvoorbeeld expliciet 20 getallen opschrijven die voldoen. De gemiddelde waarde van de 20 getallen is ongeveer 2025 : 20 = 101,25. We kijken daarom naar 20 opeenvolgende gehele getallen (waarvan we er enkele zullen aanpassen) zodat 101,25 tussen de 10e en 11e term ligt; deze twee termen zijn 101 en 102. Als we de getallen 92,93,,101,102,,111 nemen, krijgen we de som 10 (101 + 102) = 2030. We moeten echter 2025 hebben, dus verlagen we de kleinste 5 getallen (92,93,94,95,96) elk met één.

Zo verkrijgen we een 20-tal met som 2025 waarvoor M m = 20. De minimale som van de rode getallen is dus 2(M m) = 2 20 = 40.

Statistieken
56
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
25.0%
teams opgelost
00:23:00
gemiddelde oplostijd

Opgave 37

Stuiterbal

Martina heeft een stuiterbal om mee te spelen. Ze werpt hem horizontaal tegen een muur. Op het moment dat de bal de hand verlaat bevind hij zich op een hoogte van 1,6m en heeft hij een snelheid van 16ms. Vervolgens stuitert de bal tegen de muur op een hoogte van 0,8m en daarna tegen de vloer. Elke stuiter verloopt volgens de weerkaatsingswet, maar de bal verliest bij elke botsing 1 4 van zijn kinetische energie. Wat is de maximale hoogte die de bal bereikt na de stuiter op de vloer, in meters?

Oplossing

Antwoord:

1,05


Laat m de massa van de bal zijn. In het begin bevindt de bal zich op hoogte h0 = 1,6m, dus heeft hij potentiële energie Ep0 = mgh0. Daarnaast beweegt hij met snelheid v0 = 16ms, dus heeft hij kinetische energie Ek0 = 1 2mv02. De totale energie in het begin is

E0 = Ep0+Ek0 = mgh0+1 2mv02 = (10Nkg 1,6m + 1 2(16ms)2) m = 144Jkgm.

De eerste stuitering gebeurt op hoogte h1 = 0,8m, dus is de potentiële energie Ep1 = mgh1 = 10Nkg 0,8m m = 8Jkg m. De kinetische energie vóór de stuiter is Ek1 = E0 Ep1 = 144Jkg m 8Jkg m = 136Jkg m. Deze neemt af tot drie kwart, dus na de stuiter geldt Ek1 = 3 4Ek1 = 3 4 (136Jkg m) = 102Jkg m. De totale energie na de eerste stuiter is dan

E1 = Ep1 + Ek1 = 8Jkg m + 102Jkg m = 110Jkg m.

Bij de tweede stuiter is er geen potentiële energie (Ep2 = 0), dus bestaat de totale energie volledig uit kinetische energie, die opnieuw tot drie kwart afneemt:

E2 = 3 4E1 = 3 4 (110Jkg m) = 82,5Jkg m.

Nu zoeken we het moment waarop de bal zijn maximale hoogte bereikt. Dat gebeurt wanneer de verticale component van de snelheid nul is. Er blijft echter nog een horizontale component over, dus moeten we ook die meenemen. Aan het begin was de horizontale snelheid v0. Na elke stuiter neemt de grootte van de snelheid af zodanig dat de kinetische energie tot drie kwart vermindert. Omdat de kinetische energie evenredig is met het kwadraat van de snelheid, wordt de snelheid vermenigvuldigd met 34. Na twee stuiteringen geldt dus v2 = (34)2v0 = 3 4v0 = 12ms.

In het hoogste punt heeft de bal nog steeds snelheid v2 en dus kinetische energie Ek3 = 1 2mv22 = 1 2(12ms)2 m = 72Jkg m. De potentiële energie is dan Ep3 = E2 Ek3 = 82,5Jkg m 72Jkg m = 10,5Jkg m. Daaruit volgt dat de maximale hoogte h3 die de bal bereikt gelijk is aan:

h3 = Ep3 mg = 10,5Jkg m m 10Nkg = 1,05m.

Statistieken
44
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
11.4%
teams opgelost
00:25:20
gemiddelde oplostijd

Opgave 38

Gepolariseerde samenleving

De samenleving is zo gepolariseerd dat Thomas besloot te onderzoeken of mensen werkelijk overal verdeeld over zijn, of dat ze toch iets gemeen hebben. Hij ontdekte dat de samenleving verdeeld is in twee groepen – één van a personen en de andere van b personen. Om te weten te komen wat ze gemeen hebben, berekende hij de grootste gemene deler en het kleinste gemene veelvoud van de getallen a en b. Hij telde de grootste gemene deler en het kleinste gemene veelvoud op en kreeg de som 20250. Hoeveel verschillende waarden kan de grootste gemene deler hebben gehad?

Oplossing

Antwoord:

39


Uit de definitie van de grootste gemene deler weten we dat ggd(a,b) een deler is van zowel a als b. Op dezelfde manier zijn zowel a als b delers van kgv(a,b). Hieruit volgt dat kgv(a,b) deelbaar is door ggd(a,b). We kunnen dus positieve gehele getallen d en k vinden zodat

d = ggd(a,b),kd = kgv(a,b).

Omgekeerd kunnen we voor elke keuze van k en d geschikte a en b vinden. Het volstaat om a = d en b = kd te nemen. Omdat we het aantal mogelijke waarden van d moeten vinden, kunnen we a en b buiten beschouwing laten en enkel met d en kd werken.

De voorwaarde herschrijven geeft d + kd = d(k + 1) = 20250. Dit is hetzelfde als het schrijven van het getal 20250 als een product van twee factoren, waarvan er één (namelijk k + 1) minstens 2 moet zijn. Dus kan d elke deler van 20250 zijn, behalve 20250 zelf (want dat zou k + 1 = 1 maken).

Het probleem komt dus neer op het bepalen van het aantal positieve delers van het getal 20250. De priemfactorontbinding van 20250 is 20250 = 2 34 53. De delers van dit getal hebben dezelfde priemfactoren, maar met kleinere exponenten (tot en met 0). We hebben 2 keuzes voor de priemfactor 2 (0 of 1), 5 keuzes voor 3 (0, 1, 2, 3, 4) en 4 keuzes voor 5 (0, 1, 2, 3). In totaal heeft het getal 20250 dus 2 5 4 = 40 delers.

We moeten de deler 20250 zelf uitsluiten, wat ons 40 1 = 39 mogelijke waarden oplevert voor de grootste gemene deler van Thomas’ getallen.

Statistieken
32
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
21.9%
teams opgelost
00:23:13
gemiddelde oplostijd

Opgave 39

Chinese snoepjes

Arthur is dol op snoepjes. Zijn vriend was in China en bracht hem 6 snoepjes mee, elk met een andere smaak. Arthur waardeert het cadeau van zijn vriend zo erg dat hij de snoepjes op een heel specifieke manier wil opeten. Herhaaldelijk kiest hij één of twee snoepjes om te eten (als hij er twee kiest, dan eet hij die gelijktijdig op). Hij gaat hiermee door tot alle snoepjes op zijn. Hoeveel verschillende keuzes heeft Arthur voor de volgorde van het eten van alle snoepjes?

Oplossing

Antwoord:

3690


Voor elk positief geheel getal n noteren we met p(n) het aantal manieren waarop Arthur n snoepjes kan opeten. We beschrijven hoe we p(n) kunnen berekenen op basis van p(n 1) en p(n 2).

Wanneer er n snoepjes over zijn, kan Arthur kiezen om één of twee snoepjes te eten. Als hij één snoepje kiest, kan hij één van de n snoepjes nemen. Daarna blijven er p(n 1) mogelijkheden over om de rest op te eten. Dit geeft Arthur n p(n 1) mogelijkheden. Als Arthur ervoor kiest om twee snoepjes te eten, kan hij deze kiezen op n(n1) 2 manieren. Daarna blijven er p(n 2) mogelijkheden over om de rest op te eten. Voor algemeen n 3 geldt dus:

p(n) = n p(n 1) + n(n 1) 2 p(n 2).

We gebruiken deze formule om p(6) te berekenen. We weten dat p(1) = 1 en p(2) = 3. Verder krijgen we:

p(3) = 3p(2) + 3p(1) = 9 + 3 = 12, p(4) = 4p(3) + 6p(2) = 48 + 18 = 66, p(5) = 5p(4) + 10p(3) = 330 + 120 = 450, p(6) = 6p(5) + 15p(4) = 2700 + 990 = 3690.

Daaruit volgt dat Arthur zijn snoepjes op 3690 verschillende manieren kan opeten.

Statistieken
25
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
36.0%
teams opgelost
00:18:12
gemiddelde oplostijd

Opgave 40

Boekenpret

Matthijs is een uitstekende student. Wanneer hij even pauze wil nemen van het studeren, speelt hij met zijn boeken: één met een massa van 0,5kg en het andere met een massa van 1kg. Hij legt het lichtere boek op een horizontale tafel en het zwaardere boek bovenop het lichtere boek. De wrijvingscoëfficiënt tussen het boek en de tafel is 0,3 en tussen de twee boeken 0,6. Matthijs begint vervolgens het lichtere boek horizontaal naar zicht toe te trekken met een kracht van grootte F. Bepaal de kleinst mogelijke waarde van F in newton zodat het bovenste boek van het onderste afglijdt.

Oplossing

Antwoord:

13,5


We noteren de massa’s en wrijvingscoëfficiënten als volgt: m1 = 0,5kg, m2 = 1kg, f1 = 0,3, f2 = 0,6. We beschrijven eerst de krachten die op de boeken werken.

Verticale richting. Op het boek met massa m2 werken twee krachten: de zwaartekracht Fg2 = m2g en de normaalkracht FN2 van het andere boek. Omdat dit boek zich niet verticaal verplaatst, geldt FN2 = Fg2.

Op het boek met massa m1 werken drie krachten: de zwaartekracht Fg1, de normaalkracht FN2 van het bovenste boek en de normaalkracht FN1 van de tafel. Omdat ook dit boek zich niet verticaal verplaatst, geldt

Fg1 + FN2 FN1 = 0 FN1 = Fg1 + FN2 = Fg1 + Fg2 = (m1 + m2)g.

Horizontale richting. Stel dat de kracht F waarmee Matthijs trekt, naar rechts gericht is. We beginnen weer met het boek van massa m2. Op dit boek werkt slechts één kracht in horizontale richting – de wrijvingskracht. Zonder wrijving zou het boek naar links glijden ten opzichte van het onderste boek. De wrijvingskracht werkt daartegenin, dus naar rechts, met grootte F2 = Ft2 f2FN2 = f2Fg2 = f2m2g.

Voor het boek met massa m1 moeten we drie krachten beschouwen. De eerste is uiteraard F. De tweede is de wrijvingskracht tussen het boek en de tafel, die het boek afremt met grootte Ft1 f1FN1 = (m1 + m2)f1g. De derde kracht is de reactiekracht op Ft2, die, met gelijke grootte, naar links werkt. De resulterende kracht op dit boek heeft dus grootte

F1 = F Ft1 Ft2 F (m1f1 + m2f1 + m2f2)g.

Wanneer het bovenste boek (m2) begint te glijden, zijn alle wrijvingskrachten maximaal (omdat de boeken en tafel ten opzichte van elkaar schuiven). In dat geval geldt F1 = F (m1f1 + m2f1 + m2f2)g en F2 = f2m2g. Het bovenste boek glijdt wanneer a1 > a2 waar a1 en a2 de versnellingen van de boeken zijn. Want als het lichtere boek sneller versnelt dan het zwaardere, dan moeten ze wel relatief aan elkaar bewegen. De grenssituatie is a1 = a2, waarvoor geldt:

a1 = a2, F1 m1 = F2 m2, F (m1f1 + m2f1 + m2f2)g m1 = f2m2g m2 , F (m1f1 + m2f1 + m2f2)g = m1f2g, F = (m1f1 + m2f1 + m2f2 + m1f2)g, F = (0,5kg 0,3 + 1kg 0,3 + 1kg 0,6+0,5kg 0,6) 10Nkg = 13,5N.

We concluderen dat de kleinst mogelijke kracht waarmee Matthijs aan het boek moet trekken 13,5N is.

Statistieken
16
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
18.8%
teams opgelost
00:42:16
gemiddelde oplostijd

Opgave 41

Schaakkoning deel 2

Kate heeft het vorige probleem over de koning op een oneindig schaakbord opgelost, dus zoekt ze nu een uitdagendere vraag. Haar tweede vraag over de schaakkoning op een oneindig schaakbord is: uit hoeveel verschillende wandelingen van precies vier zetten kan de koning kiezen als hij weer op hetzelfde vakje als waar hij begon wil eindigen?

Oplossing

Antwoord:

216


De koning moet in 4 zetten terugkeren naar zijn startpositie. Laten we naar zijn positie na 2 zetten kijken. Op dat moment heeft hij nog 4 2 = 2 zetten over. Noem zo’n vakje voorlopig een “rood” vakje. De koning kan elke twee wandelingen naar het rode vakje combineren tot een geldige wandeling van 4 zetten met de vereiste eigenschap: hij gebruikt één wandeling om het rode vakje te bereiken en de andere (in omgekeerde richting) om terug te keren naar het startvakje.

Bepaal nu welke vakjes de koning in twee zetten kan bereiken. Het aantal manieren om een vakje te bereiken hangt af van het aantal aangrenzende vakjes waarvan de koning het in één zet kan bereiken. Het aantal manieren om een gegeven vakje na twee zetten te bereiken verkrijg je dus door de aantallen van zijn buren na één zet op te tellen. Onderstaande tabel toont het aantal manieren om elk vakje in twee zetten te bereiken. waar het vakje met een klein vierkantje het startvakje is.

PIC

We gebruiken nu onze eerdere observatie dat de koning vanuit elk van deze vakjes op evenveel manieren kan terugkeren naar het startvakje. Dit levert 12+22+32+22+12+22+22+42+22+22+32+42+82+42+32+22+22+42+22+22+12+22+32+22+12 = 216 mogelijke wandelingen.

Statistieken
14
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
50.0%
teams opgelost
00:16:51
gemiddelde oplostijd

Opgave 42

Op de bodem

Casper is een perfect gladde, homogene kubus met ribbe van lengte 50cm en dichtheid 1200kgm3. Hij bevindt zich op de perfect gladde bodem van een aquarium dat met water is gevuld tot een hoogte van 2m. Wat is de grootte van de kracht die Casper op de bodem van het aquarium uitoefent, in newton?

Ga uit van standaardomstandigheden: temperatuur 20C en atmosferische druk.

Oplossing

Antwoord:

30250


We analyseren de krachten die werken op de kubus met ribbe a = 50cm en dichtheid ρ = 1200kgm3, die op de bodem ligt onder een waterkolom met hoogte h = 2m. De eerste kracht is uiteraard de zwaartekracht Fg = mg = a3ρg.

Verder werken er krachten van het water op de kubus. De krachten op de verticale vlakken heffen elkaar op, dus bekijken we enkel de krachten op de horizontale vlakken. Onder de kubus bevindt zich geen water (kubus en bodem zijn volkomen glad), dus werkt er geen waterkracht op het ondervlak. Op het bovenvlak werkt wel een druk.

Noem de druk van het water op het bovenvlak p. Aangezien het bovenvlak een oppervlakte A = a2 heeft, is de drukkracht Fp = pA. We moeten dus p bepalen. Het bovenvlak bevindt zich op diepte h = h a, zodat de hydrostatische druk ph = hρwaterg is.

Dit is echter niet de enige druk waarmee rekening moet worden gehouden. Onder standaardomstandigheden werkt er een atmosferische druk pA op het wateroppervlak. Volgens de wet van Pascal wordt de totale druk in het water met deze atmosferische druk verhoogd. Dus vlak boven het bovenvlak van de kubus geldt p = pA + ph.

We kunnen nu alles samenvoegen om de totale kracht te vinden die de kubus op de bodem uitoefent:

F = Fg + Fp = a3ρg + (p A + (h a)ρwaterg)a2, F = (0,5m)3 1200kgm3 10Nkg +(100000Pa + (2m 0,5m) 1000kgm3 10Nkg) (0,5m)2, F = 30250N.

Het antwoord lijkt misschien heel groot. In werkelijkheid bestaat er geen volkomen gladde objecten en is er dus altijd een beetje water onder de kubus, wat opwaartse kracht (drijfkracht) mogelijk maakt. Die drijfkracht helpt een ondergedompeld object aanzienlijk, zodat de kracht op de bodem veel kleiner is. Toch is het probleem niet onrealistisch: als een onderzeeër de zeebodem raakt, kan het verlies aan drijfvermogen groot genoeg zijn dat hij niet meer loskomt. Moderne onderzeeërs hebben systemen om dit te voorkomen, maar vermijden contact met de bodem doorgaans toch (om fysieke schade te vermijden en omdat er zich vaak koelgaten aan de onderzijde bevinden).

Statistieken
10
Geen enkel team heeft al een probleem opgelost
20.0%
teams opgelost
00:30:53
gemiddelde oplostijd